BKKC Mestmag logo Adverteren
Online community voor cultuur in Noord-Brabant

De cultuursector betaalt vaak beroerd. En het werd de afgelopen jaren alleen maar erger. Daarbij zijn de verschillen tussen disciplines soms enorm. Accepteert de sector dat nog langer? En is er een uitweg uit de patstelling met veel aanbieders, veel ideeën, weinig vraag of geld en kunstenaars die hun passie blíjven volgen, ook al graven ze daarmee hun eigen graf? Ga er even goed voor zitten, want dit is een longread!

Geschreven door Stan van Herpen, illustratie Jenna Arts

Eerlijk is eerlijk, ik praat ook makkelijker over de hoogte van een vergoeding als ik naar mijn idee te weinig betaald krijg voor een klus. Wat op zich al opvallend is: trots zijn op een goed uurtarief is nadrukkelijk not done in de Nederlandse cultuursector. Dat praten over inkomsten ook in de cultuursector een taboe is, bleek weer toen ik voor dit artikel een mailtje rondstuurde en een oproep plaatste op Facebook, met de vraag of mensen wilden delen wat ze verdienen. Na wat aandringen verzamelde ik zo’n honderd reacties. Dat viel niet mee. Veel mensen wilden zelfs hun inkomen niet noemen als ik ze nadrukkelijk anonimiteit beloofde. Het zou jammer zijn als het taboe stand houdt, want daarmee is ook een open gesprek over beloningen in de cultuursector lastiger. En hou je  onwetendheid in stand (bijvoorbeeld over het verschil tussen uurloon in vaste dienst en het uurtarief van een zelfstandige), en daarmee een belangrijk deel van het probleem.  

Drie vragen voor nu. 1: Hoe dramatisch is het werkelijk gesteld met de salarissen en beloningen binnen de culturele sector? 2: Zijn er belangrijke verschillen tussen de verschillende disciplines in de culturele sector en zijn die verschillen nog verdedigbaar? 3: Zijn er oplossingen? 

Het zou jammer zijn als het taboe stand houdt, want daarmee is ook een open gesprek over beloningen in de cultuursector lastiger.
- Stan van Herpen

1

Arbeidsmarkt: ‘zorgwekkend’

Het kan natuurlijk zijn wat ‘we’ een stelletje zeiksnorren zijn in de cultuursector, gefrustreerde creatieven, die volgens hun buren blij mogen zijn dat ze hun hobby mogen uitoefenen, die altijd het gevoel hebben dat ze wat tekort komen, dat het onzin is, die veronderstelde matig tot slechte salarissen en beloningen over de hele breedte. Wel, de gezamenlijke conclusie van de Raad voor Cultuur (RvC) en de Sociaal-Economische Raad (toch alles behalve een kort-door-de-bocht-orgaan) begin 2016 laat weinig te raden over. Hun conclusie in het rapport ‘Verkenningen arbeidsmarkt culturele sector’ luidt simpelweg ‘zorgwekkend’. De samenvatting van de diagnose: dalende werkgelegenheid, lage en dalende inkomens, zelfstandigen die zich nauwelijks verzekeren voor arbeidsongeschiktheid en ook zelden aan pensioenopbouw doen.  

De oorzaak ligt volgens de twee raden deels bij de bezuinigingen op cultuur (zowel op nationaal als op regionaal en lokaal niveau) van de afgelopen jaren. En het is duidelijk wie de klappen opvangen: de zelfstandigen, de afgelopen jaren aangevuld met een legioen aan ontslagen werknemers die noodgedwongen ook hun heil zoeken in een zzp-bestaan. Even wat cijfers. Het aantal vaste banen in de cultuursector daalde in de periode van 2009 tot en met 2013 met 12,3 procent. Ter vergelijking: in de Nederlandse economie als geheel was dat 2,5 procent. Tegelijkertijd steeg het aantal zelfstandigen in de culturele sector met maar liefst 20,4 procent, tegen een gemiddelde van 9,6 procent in de hele vaderlandse economie. Nog een verontrustende conclusie: de helft van de mensen met een creatief beroep heeft een bruto-jaarinkomen van minder dan dertigduizend euro. Bij andere beroepen van vergelijkbaar niveau (lees: HBO) is dat nog geen twintig procent.

Extra zorgwekkend

Volgens Birgit Donker, directeur van het Mondriaan Fonds, in NRC Handelsblad, is dit beeld nog te rooskleurig. “Extra zorgwekkend is dat de cijfers waar de SER zich op baseert, tot en met 2013 gaan – het eerste jaar van de drastische bezuiniging van het Rijk op de kunst, toen er nog reserves konden worden ingezet (…) De schade is de afgelopen twee jaar verder opgelopen en zal nog veel groter worden als nu niet wordt ingegrepen.”

Peter van den Bunder, bestuurder bij de Kunstenbond: “We zien dat er enorm is bezuinigd de afgelopen jaren, maar dat het aanbod grotendeels in stand is gebleven. Uit dit rapport kun je opmaken hoe dat is gerealiseerd: veel makers hebben fors ingeleverd op hun inkomsten.”

De SER en de RvC dalen aan het eind van hun conclusie af naar menselijk microniveau: ‘Vaak is het inkomen van een partner nodig om een gemiddeld huishoudinkomen te kunnen verdienen.’ Herkenbaar? Als u zich altijd al eens afvroeg waarom festivals, literaire productiehuizen, musea enzovoort voornamelijk bevolkt worden door dames en heren van tussen de twintig en de dertig jaar, dan heb je hier het antwoord: die kunnen het zich nog veroorloven om hun carrière als vakkenvuller te vervolgen bij een culturele instelling voor een vergelijkbaar uurtarief. Zodra er in iemands leven kinderen en/of hypotheken opduiken, moet de heil noodgedwongen buiten de cultuursector gezocht worden.

Kantelpunt?

Een wrange troost: het beeld van de cultuurmaker als mateloze subsidieslurper is met deze cijfers eenvoudig te ontkrachten.  Volgens Van den Bunder is er een ongezonde gewenning opgetreden. “We vinden het niet gek meer dat een kunstenaar slecht of zelfs helemaal niet wordt betaald. Maar dit is roofbouw, dit houden we niet langer vol. Ik hoop dat we op een kantelpunt zitten, omdat vrijwel iedereen nu wel inziet dat het zo niet verder kan.”


Hoe het dan wel moet? De eerste voorzichtige kantelingen lijken zichtbaar. Zo gaan het Mondriaan Fonds en musea vanaf januari experimenteren met een honorariumrichtlijn voor beeldend kunstenaars. Zie ook puntje 3. Maar eerst:


2

De klassieke muziek als grootverdiener, de zzp’er als paria

Hoe groot zijn de onderlinge verschillen tussen sectoren? Is er reden voor geldnijd richting collega’s in specifieke beroepsgroepen? Die vraag blijkt lastig te beantwoorden. Opvallend is dat de RvC en de SER in hun onderzoek wel – weggestopt op pagina 67, en de bron is onduidelijk – de gemiddelde bruto jaarinkomsten van enkele freelancende beroepsgroepen opsomt (zie ook illustratie), maar nergens vermeldt of er opvallende verschillen zijn tussen sectoren. Ook ik heb nergens zo’n vergelijkend onderzoek kunnen vinden. Dus deden we zelf een eerste poging, aan de hand van reacties op onze oproep, cao’s en financiële jaarverslagen.

De conclusie die we voorzichtig durven te trekken: voor mensen in loondienst zijn de verschillen tussen de culturele disciplines over het algemeen niet opvallend groot. Ben je medewerker bij een museum, een bibliotheek of een galerie dan kom je bij een volledige baan uit op een salaris tussen de 2000 en 3500 euro, vanzelfsprekend afhankelijk van leeftijd en ervaring. Marketing- en educatiemedewerkers zitten qua inkomen gemiddeld vaak wat hoger. Ben je zakelijk of artistiek leider van een (middel)groot dans- of theatergezelschap, of hoofd programmering bij een groot poppodium bijvoorbeeld, dan heb je waarschijnlijk een bruto maandsalaris tussen de 3500 en 4500 euro (bij een 40-urige werkweek). Opvallend zijn wel de tamelijk grote inkomensverschillen tussen zakelijk en artistiek leiders van relatief grote instellingen en die van kleine organisaties. De meeste zakelijk en artistiek leiders van kleinere organisaties verdienen bruto tussen de 15.000 en 20.000 euro per jaar, omgerekend naar een volledig dienstverband.

Die laatste groep zit qua netto salaris dan rond het bijstandsniveau. Dat is des te schrijnender als je dat vergelijkt met de inkomsten van de echte grootverdieners in de culturele sector, de dames en heren van de klassieke muziek. De verzameling ingehuurde dirigenten kosten per jaar bij een regionale orkest bijvoorbeeld tussen de €200.000 en €500.000, bij een landelijke orkest tussen de €800.000 en 1 miljoen. Na een vergelijking van de directeurssalarissen van een landelijk symfonieorkest en drie regionale orkesten, kunnen we de conclusie trekken dat een zakelijk leider van een symfonieorkest gemiddeld meer dan een ton bruto per jaar verdient. En dan heb ik bij die berekening het salaris van directeur Jan Raes van het Concertgebouworkest maar buiten beschouwing gelaten. Die zit met een inkomen van €221.572 in 2015 (exclusief €18.411 aan onkostenvergoedingen) stevig boven de Balkenendenorm en zelfs €40.000 boven het zogeheten maximum volgens de Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen (WNT).


The winner takes all

In elke andere sector zou de pleuris uitbreken bij dit soort verschillen, in de culturele sector niet. Wellicht omdat we bang zijn dat we het draagvlak onder bevolking en politici nog verder uithollen als we de omerta van schijn-solidariteit laten varen?

Van Pim van Klink, al decennialang bestuurder in de cultuursector, kwam dit najaar het boek ‘De bijzondere economie van het kunstenaarschap’ uit. Volgens hem is het principe van the winner takes all een belangrijk kenmerk van de cultuursector. Er zijn altijd een paar spelers die erg goed verdienen. “Dat komt mede door smaakonzekerheid bij de consument. Daarom loopt iedereen achter elkaar aan.”

Zzp’er-leed

Het échte financiële leed gaat schuil achter de voordeuren van de zzp’ers. Maar die zijn slecht georganiseerd en klagen niet snel. Hij of zij kijkt wel uit, die hoort al direct het kritisch zeurend stemmetje van de goegemeente in het achterhoofd: ‘Je kiest er toch zelf voor?’ Of: ‘Joh, ben blij, je krijgt betaald voor iet wat je leuk vindt!’ Zeggen we dat ook tegen de heftruckchauffeur die lol heeft in zijn werk, maar via de vakbonden wel knokt voor rechtvaardige primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden?

Het bleek al uit de voorbeelden in het rapport van de RvC en de SER, maar het komt ook genadeloos terug in ons eigen onderzoekje; de gemiddelde uurtarieven van zzp’ers in de cultuursector zijn vaak schrikbarend laag. Autonome makers, zoals muzikanten, illustratoren, filmmakers, zitten gemiddeld op tien euro per uur. Waarbij beeldend kunstenaars daar vaak nog fors onder zitten. Iets beter is het gesteld met de gemiddelde vergoedingen voor bijvoorbeeld docenten en educatiemedewerkers, die bungelen zo rond de 35 euro per uur. Communicatie- en marketingmensen horen vaak bij de best betaalde freelancers in de cultuursector, met gemiddelde uurtarieven van rond de 60 euro.

Nou zijn er mensen die het idee hebben dat een freelance uurtarief tussen de tien en de dertig euro helemaal zo slecht niet is. Omdat ze vaak overeenkomen met de bruto uurtarieven van soortgelijke functies in loondienst. Het is opvallend hoe hardnekkig het misverstand is dat je die twee soorten uurtarieven zomaar één op één met elkaar kunt vergelijken. Een bruto uurtarief voor iemand in dienstverband zegt bijvoorbeeld niks over de daadwerkelijke loonkosten, daar komt gemiddeld nog zo’n 30 procent bij aan werkgeverslasten. En in het uurtarief van een freelancer zitten allerlei onkosten verdisconteerd die een bedrijf met personeelsleden ook heeft, maar je niet terug ziet in het bruto uurloon.

Zelfs grote professionele culturele instellingen maken de fout. De theater- en dansgezelschappen in de landelijke BIS (Basisinfrastructuur) hebben bijvoorbeeld afgesproken dat ze hun honoraria voor zzp’ers baseren op de cao voor theater en dans. Dat wil zeggen dat ze het brutosalaris inclusief de werkgeverslasten als uitgangspunt nemen. Dat klink sympathiek, de gezelschappen bedoelen het vast goed, de bewuste zzp’ers gaan er waarschijnlijk nog iets op vooruit ook, maar rechtvaardig is het nog lang niet. Daarom (zie kader), een voorbeeldberekening. Ook om te voorkomen dat iemand die bijvoorbeeld 40 euro per uur factureert onterecht door zijn culturele collega’s met de nek wordt aangekeken.  

Het komt ook genadeloos terug in ons eigen onderzoekje; de gemiddelde uurtarieven van zzp’ers in de cultuursector zijn vaak schrikbarend laag.
- Stan van Herpen

3

Oplossingen?

Blijven we alleen maar klagen hier? Nee. Hup, immer optimistisch voorwaarts op zoek naar oplossingen. Achter het microleed van crepeerbeloningen gaan grote vragen schuil, die we hier niet kunnen beantwoorden. Waarom heeft een samenleving als de onze structureel zo weinig over voor cultuur? Waarom blijven veel makers maar doorgaan, ook als ze moeten rondkomen van een vergoeding onder bijstand-niveau? En dat terwijl ze weten dat ze met hun passie hun eigen graf graven. Want als je doorgaat, laat je mensen denken: zie je wel, het kan ook wel voor minder. En hoe geloofwaardig ben je dan nog als je de volgende keer bij een subsidieaanvraag een redelijk tarief in rekening brengt?

Als er de komende jaren geen structurele bedragen bijkomen voor cultuur, lijkt er op macroniveau maar één oplossing mogelijk: niet hetzelfde blijven produceren voor minder geld zoals we de afgelopen jaren deden, maar minder gaan maken. Anne Breure, artistiek directeur bij het Veem Theater in Amsterdam: “Ik vind dat je allereerst als maker jezelf serieus moet nemen en redelijke tarieven moet eisen. Dan maar minder produceren. Als je voor jezelf gaat staan, krijg je een kwalitatief beter aanbod. En daar overtuig je mee, niet met kwantiteit.”

Maar de maker laat zich niet zo makkelijk tegenhouden, dat hebben we gezien. Dus dat betekent, bijna als een vorm van zelfbescherming: strenger selecteren bij de poort, met name door de landelijke, regionale en lokale subsidiefondsen. Maar dat blijkt lastig in de praktijk. Want dat betekent harde keuzes maken op basis van softe criteria  als ‘kwaliteit’ en ‘artistieke meerwaarde’. Of is er een alternatief?

Richtlijnen voor honoraria

Op landelijk niveau lijken de fondsen eindelijk te gaan luisteren naar een idee dat al een tijdje rondzingt, dat van een richtlijn voor redelijke beloningen. De beeldend kunstenaars hebben de primeur. Belangenorganisaties, musea en het Mondriaan Fonds gaan vanaf 1 januari experimenteren met een richtlijn voor kunstenaarshonoraria. Goede zaak, want de fondsen hebben de macht om redelijke uurtarieven af te dwingen. Ik heb zelden een adviescommissie van een subsidiefonds de reactie zien geven dat een aanvrager de in een begroting opgevoerde uurtarieven moet ophogen om geloofwaardig te zijn; misschien gaat dat nu veranderen.

Hopelijk volgen andere sectoren spoedig het voorbeeld. Ik weet uit eigen ervaring hoe lastig adviescommissies het vaak vinden om te bepalen wat een redelijk uurtarief is. En een redelijk aantal uren. Het moet niet al te lastig zijn om daar per discipline en per functie richtlijnen voor op te stellen. Belangrijk bijkomend voordeel is dat het voor organisaties en individuele makers makkelijker is om zich zakelijk op te stellen omdat ze zich in onderhandelingen  gesterkt zullen voelen door dergelijke richtlijnen.

Peter van den Bunder: “We zitten vast in ons eigen gedrag. Zakelijke gesprekken over honoraria vinden we moeilijk. Daar zit een psychologische factor achter. Kunstenaars vinden het lastig om over geld te praten omdat je vaak te maken hebt met producten die erg dicht bij jezelf liggen. Het is eng om dat zakelijk te benaderen.”

Maar met zulke richtlijnen alleen ben je er niet, benadrukt Anne Breure. Opdrachtgevers moeten er ook naar handelen. Daarom pleit ze voor een fair practice label, dat in België al in de maak schijnt te zijn. “Ze kunnen je als maker een redelijk uurtarief bieden, maar je alsnog afschepen met te weinig uren. We moeten onderlinge solidariteit stimuleren.”

Herinvoering van de WWIK

Cultuurbestuurder Pim van Klink ziet nog andere mogelijkheden. Hij pleit voor een beperking van de instroom op kunstvakopleidingen en voor een herinvoering van de Wet werk en inkomen voor kunstenaars (WWIK). Volgens hem door Rutte in 2012 op onzinnige gronden afgeschaft.  “Als kunstenaar kreeg je zeventig procent van de bijstand met het recht om tot 125 procent van de bijstand bij te verdienen. Dat is geen privilege zoals Rutte dat deed voorkomen.”

Van Klink beschrijft in zijn boek ‘de waardeparadox van de kunst’: ‘Het gebruik wordt algemeen positief gewaardeerd, maar het besef dat daar een redelijke vergoeding tegenover zou moeten staan ontbreekt.’ Dat is wat Van den Bunder bedoelt als hij zegt dat we als consument (vaak onbewust) gewend zijn geraakt aan gratis cultuur en content. We betalen ons scheel aan de digitale dragers van kunst en content (smartphones, ipad’s, e-readers etc.) maar vinden een vergoeding voor hetgeen er op te zien en te horen is raar.

Van Klink maakt zich dan ook hard voor een drastische versterking van het exploitatierecht of auteursrecht voor makers in de digitale omgeving. “Veel mensen vergeten dat de exploitatiemogelijkheden van makers enorm zijn afgenomen door de komst van het internet. De Nederlands overheid is daar te lang veel te laks in geweest. Zij moet kunstenaars in staat stellen hun exploitatierechten op het internet uit te oefenen. En campagnes ondersteunen om de mentaliteit van ‘de generatie gratis’ te veranderen. Ik vind dat veel belangrijker dan de veertien miljoen extra waar de SP en D66 voor pleiten. Want dat gaat toch weer naar een select groepje.”

Kunstenaars vinden het lastig om over geld te praten omdat je vaak te maken hebt met producten die erg dicht bij jezelf liggen. Het is eng om dat zakelijk te benaderen.
- Peter van den Bunder

Hoe lossen we het op? Vervolgonderzoek van SER en Raad voor Cultuur

Het onderzoek van de SER en de Raad voor Cultuur uit begin 2016 krijgt een vervolg. Op aandringen van de Federatie Cultuur en de Kunstenbond komen de twee raden met een vervolgonderzoek, over mogelijke duurzame oplossingen. Dat rapport moet er in het voorjaar van 2017 liggen.

Benieuwd naar redelijke uurtarieven voor ZZP'ers? Je leest het in MEST #16.

Wil jij reageren op dit artikel?

Contact

Stan van Herpen

Stan van Herpen

nl.linkedin.com

Reageren