BKKC Mestmag logo Adverteren
Online community voor cultuur in Noord-Brabant

Op 27 maart hield Sheila Sitalsing, columnist van de Volkskrant, de vierde E. du Perronlezing op de avond dat ook de E. du Perronprijs werd uitgereikt. Mohammed Benzakour nam deze in ontvangst voor zijn boek Yemma (De Geus, 2013). Sitalsing ontleedde het begrip 'participatiesamenleving'. Hieronder staat haar lezing integraal.

Sheila Sitalsing tijdens haar E. du Perronlezing Sheila Sitalsing tijdens haar E. du Perronlezing Foto: William van der Voort

Goedenavond,

De naamgever van deze lezing, de naamgever ook van deze prachtige prijs, E. du Perron, schreef ooit: ‘Het verschil tussen een land dat politiek gezond en één dat ongezond heet, is het verschil tussen een beerput met een behoorlijk deksel erop en een open beerput waarin geroerd wordt.’ Het citaat stond ergens in de aantekeningenbrij die ik gemaakt had ter voorbereiding voor deze lezing. Het is een mooi citaat. Maar ook een volstrekt irrelevant citaat voor het verhaal dat ik tot voor kort van zins was te vertellen.

Ik wou – en wil nog steeds en ga dat ook doen dus geen zorgen, mocht u die hebben – de term participatiesamenleving ontleden. Dat begrip dat nu over ons wordt uitgerold door de boven ons gestelden onder het uiten van de verschrikkelijkste krachttermen, zoals burgerkracht en macht bij de burger en samen zelf doen. Ik wou en wil nog steeds en ga dat ook doen, straks, zo meteen, geduld, ontleden wat dat betekent voor de samenleving, voor het samen leven, en of het meer is dan enkel een schaamlap voor bezuinigen op de zorg voor onze naasten – zoals sommigen wel suggereren. Maar voordat ik dat ga doen, wil ik heel even roeren in de beerput, die ik links wilde laten liggen en die E. du Perron associeerde met politieke onzindelijkheid. Ik kan het niet laten.

Ik wil dat doen, niet omdat deze prijs beoogt personen of instellingen te lauweren die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor, ik citeer, ‘de bevordering van wederzijds begrip en een goede verstandhouding tussen de in Nederland woonachtige bevolkingsgroepen.’ Nee, ik wil dat doen omdat er mensen zijn die denken dat er vorige week iets fundamenteels is veranderd in de Nederlandse samenleving. Dat er een Nederland is van vóórdat een afgeladen café ‘minder, minder, minder’ scandeerde en een Nederland van daarna. Een Nederland waarin een grens zou zijn overschreden, een Nederland waarin daarna hele volksstammen zich schielijk gingen hergroeperen om vanaf de goede zijde van de geschiedenis terug te scanderen ik hoor daar niet bij – voor wie daaraan mocht twijfelen. Het was ontroerend, al die nieuwe ruggengraten, al die nieuwe flinkheid. Maar hebben we hier een overschreden grens te pakken? Mwoah.

Het was ontroerend, al die nieuwe ruggengraten, al die nieuwe flinkheid. Maar hebben we hier een overschreden grens te pakken? Mwoah.
- Sheila Sitalsing

Alsof niet

Alsof het integratiedebat niet al twee decennia lang één grote, verschuivende grens is. Alsof er voor vorige week nooit eerder was gesproken van tsunami’s van islamisering, van knieschoten, van kopvodden, van baantjespikkende Polen , van rijksdelen die met hun bruine inwoners en al op Marktplaats verpatst konden worden. Alsof niet een sociaal-democratische partij nog een maand geleden heeft voorgesteld een woonnorm in te voeren van één Oosteuropeaan per 12 vierkante meter. Alsof niet de avond voordat dat cafe ging roepen, er een keurig verkiezingsdebat op tv was geweest, met keurige lijsttrekkers en keurige presentatoren, die naadloos de overstap maakten van ‘in de grote steden is de helft allochtoon naar ‘maar Marokkanen voeren nu eenmaal alle criminaliteitsstatistieken aan.’

Zo murw zijn we gebeukt door een decennium roeren door de drek, dat niemand die zei: ‘He da’s raar, we hadden het over allochonen en zijn dat dan allemaal Marokkanen, pardon criminéle marokkanen?’ Alsof er nooit een kabinet is geweest dat zich liet gedogen door een gedoger die het voor elkaar kreeg dat de door de Nederlandse regering toegezegde opvang van 250 gewonde Libiers uit de Libische oorlog niet doorging, omdat de gedoger geen zin had om ‘gewonden uit een islamitisch land op te nemen in Nederlands ziekenhuizen’.

Er was deze week veel te doen over voorgedrukte aangifteformulieren tegen een politicus (waar ik overigens geen voorstander van ben, van al dat aangeven), maar toen voornoemde gedoger met kantenklare online invulformulieren zwaaide waarin je je Poolse buurman kon aangeven, liet de toenmalige premier het gaan. Om, zo verantwoordde een lid van dit kabinet het later in de Volkskrant, erger te vorkomen. Er wordt, kortom, al heel erg lang in de beerput geroerd. Zo’n roepend café is geen trendbreuk en wie dat wel denkt heeft veel te lang op een roze wolk geleefd.

Tot zover het roeren. Ik ben klaar met roeren. We zullen samen verder moeten. We zullen samen moeten leven en we zullen veel meer samen moeten doen.

In het land van mijn vader is er amper een overheid, daar participeert iedereen zich te pletter in zijn eigen netwerk.
- Sheila Sitalsing

Dat is geen obligate stichtelijke opmerking uit de categorie ‘we zijn er om elkaar te helpen’. Het is de harde realiteit. Want – bruggetje – de participatiesamenleving komt er aan, de doe-het-zelf-samenleving, de zoek-het-maar-uit-met-je-eigen-netwerk-als-je-hulpbehoevend bent samenleving, de we-flikkeren-alles-over-de-heg-bij-de-gemeenten-met-minder-budget-maar-we-noemen-het-geen-bezuiniging samenleving. Allochtonen zijn trouwens heel erg goed in de participatiesamenleving. In het land van mijn vader is er amper een overheid, daar participeert iedereen zich te pletter in zijn eigen netwerk. Daar doen we de hele tijd aan ontmoeten en helpen en verzorgen en al die andere zaken die ons nu van overheidswege worden opgelegd.

Rahal Lamlih

Een van mijn favoriete participeerders in Nederland is een man die Rahal Lamlih heet. Rahal Lamlih is een man met een groot hart. Een man die vindt dat het zijn moslimplicht is om mensen in nood bij te staan. Rahal Lamlih kookt al jaren voor de dak- en thuislozen in zijn thuisstad Breda. Elke dag haalt hij bij supermarkten de restjes onverkoopbare groenten, fruit en andere etenswaren op; spulletjes die niet mooi genoeg zijn om te verkopen, maar nog uitstekend te eten zijn, krijgt hij gratis mee. Rahal Lamlih kookt daar een mooie pot eten van die hij avond aan avond uitdeelt aan daklozen op straat. Mooi. Participerend burgerschap. Misschien wel zoals bedoeld.

Maar de gemeente verbood het. Al diverse malen kreeg Rahal Lamlih te horen van de lokale autoriteiten dat hij moest stoppen met zijn subversieve activiteiten, op straffe van een boete. Want een beetje buiten de gemeentelijke kaders om daklozen gaan voederen, kom kom. Lamlih handelde tegen het beleid. Het beleid, zoals uitgestippeld door het college van B&W, is dat daklozen in Breda een tegenprestatie moeten leveren als ze een bord eten willen bekomen in de daklozenopvang. Want geheel conform de modernste inzichten moet ook de dakloze mens leren dat voor niets de zon opgaat, en dat lanterfanten op andermans zak echt niet meer kan in de eenentwintigste eeuw. Dus moet een dakloze zo’n bord kopen met een zelfverdiend bonnetje. Dat brengt structuur aan in hun leven, denkt de gemeente. Op straat zomaar liefdadigheid gaan bedrijven, zonder enige tegenprestatie – of zoals beleidsmakers dat graag mogen zeggen ‘prikkel’ – doorkruist dat beleid. Lamlih mocht wel koken, maar dan in de officiële daklozenopvang, met bonnetjessysteem. Dankje de koekoek zei de liefdadigheidskok. ‘Dat is niet mijn filosofie.’

Bovendien leverde al die goedertierenheid van de brave Lamlih overlast op, lawaai, gedoe, oploopjes op de stoep, rommel. En dat moeten we niet willen hebben met zijn allen. Er is nog zoiets als een openbare orde die verstoord kan worden. Het werd een lokaal relletje. De VVD-wethouder moest de regels handhaven. De oppositionele SP, die zelf graag kopjes tomatensoep mag uitdelen wierp zich er bovenop. Er kwamen gesprekken, verzoening, een compromis, enfin, alles wat je je bij overleg in Nederland kunt voorstellen. Ik hoorde Rahal Lamlih laatst weer langskomen op de radio. Het is nog steeds niet opgelost. Als u Rahal Lamlih leuk vindt, kunt u hem liken op zijn Facebookpagina Resto du Coeur, restaurant van het hart.

Waarom vind ik Rahal Lamlih zo fascinerend? Omdat hier mens en systeem op spectaculaire wijze botsen. En omdat hier de grote verwarring uit blijkt die er is over de nieuwe rol die wij gewone mensen moeten gaan vervullen in de participatiesamenleving, en wat dat betekent voor de verhouding tussen overheid en burger, en voor de verhouding tussen groepen onderling. We moeten meedoen, bijdragen aan het samen leven, pannetjes soep langsbrengen bij de zieke buurvrouw, voor onze oude ouders zorgen – iets waar sommige groepen in de samenleving beter in zijn dan andere. Maar de ontvanger van al die liefdadigheid moet zich wel gedragen conform de condities die de boven ons gestelden bepalen. 

Waarom vind ik Rahal Lamlih zo fascinerend? Omdat hier mens en systeem op spectaculaire wijze botsen.
- Sheila Sitalsing

Wij, burgers, mogen de liefdadigheid en goedertierenheid van anderen niet weldadig over ons heen laten golven, maar we moeten een tegenprestatie leveren, of, om in beleidsmakerstaal te spreken: ons activerend opstellen, ons laten prikkelen, onze eigen broek leren ophouden. En dat kan natuurlijk niet. Dat wringt, dat botst, dat past niet op elkaar. Een overheid die zegt dat ze wil loslaten, zegt doe het zelf, maak je eigen samenleving, maar dat vervolgens niet kan. Een overheid die wil dat we zelf-doen, en vervolgens tamelijk rigide grenzen stelt aan het zelf doen.

Je ziet deze paradox in hele andere vorm terug bij de kwestie van de samenwoonfraude bij de AOW-uitkering. Van samenwoonfraude is sprake wanneer twee 65-plussers doen alsof ze beiden alleenstaand zijn, en derhalve de hogere AOW voor eenpersoonshuishoudens krijgen, terwijl ze eigenlijk samen zijn – samen boodschappen doen, samen eten, samen tanden poetsen, samen slapen wellicht – al hoeft dat laatste niet om toch fraudeur te zijn. Daar wordt door de overheid met een zekere mate van verbetenheid op gejaagd. De boetes zijn vorig jaar vertienvoudigd, en er kwam een publiekscampagne, alsof we hier met een grove misstand te maken hebben. Hordes bejaarden die de boel tillen, en dat van onze centen.

De onlangs vertrokken Nationale Ombudsman, Alex Breninkmeijer, een man die ik heel hoog heb zitten, omdat hij altijd vooraan stond om de overheid erop aan te spreken als die ons onbehoorlijk behandelde, ging de cijfers na: dit type uitkeringsfraude – stiekem samenwonen, moedwillig verzwijgen – komt in 0,001 procent van de gevallen voor.

En wat gebeurde er ondertussen in de praktijk? Ouderen die zich elkaars lot aantrokken, die gingen mantelzorgen, die gingen doen wat de overheid van ons vraagt in de participatiemaatschappij, kregen de rechercheurs van de Sociale Verzekeringsbank over de vloer. Alsof ze ordinaire fraudeurs zijn. Dat is criminalisering van naastenliefde. Wees blij dat ouderen elkaar willen verzorgen, en willen behoeden voor vereenzaming. Om dat te gaan afstraffen, omdat er een klein percentage fraudeurs tussen zou zitten, lijkt mij weinig constructief.

Hier weer: een overheid die zegt ‘ik trek m’n handen ervan af, richt zelf je gemeenschap in’, maar vervolgens zo verteerd wordt door wantrouwen jegens diezelfde burger, dat hij er toch weer bovenop gaat zitten. En dan kom je bij de verklaring waarom de overheid met enige regelmaat, om de Ombudsman nog maar even te citeren, met een shovel dwars door burgerinitiatieven heen gaat rammen. Wantrouwen. We wantrouwen de Pool, we wantrouwen de Antilliaan, maar de overheid wantrouwt ons allen. Dat schept een band.

Vroeger was alles natuurlijk anders. Niet noodzakelijkerwijs beter, wel anders.

Eens in de zoveel jaar verschuiven de verhoudingen tussen wij de mensen en zij de makers, bedenkers en beheerders van de wet- en regelgeving. En die verhoudingen bepalen heel erg hoe de groepen in de samenleving zich tot elkaar gaan verhouden, niet alleen autochtoon en allochtoon, ook ziek en gezond, hulpbehoevend en vitaal, ongeletterd en geschoold.

Na afloop van de lezing signeert E. du Perronprijswinnaar Mohammed Benzakour zijn boek voor Sheila Sitalsing Na afloop van de lezing signeert E. du Perronprijswinnaar Mohammed Benzakour zijn boek voor Sheila Sitalsing Foto: William van der Voort

Geschiedenisles

Even een stukje geschiedenis. Voor de Tweede Wereldoorlog speelt politiek Den Haag een kleine rol in het leven van de mensen. Sociale wetgeving is er amper. De sociale regelingen verschillen per gemeente. Het zijn de kerken die armen en noodruftigen helpen, zoals het nu de kerken zijn die vluchtelingen helpen; zij maken eigenlijk het armoedebeleid. De gemeenten organiseren werkbeurzen voor werklozen. En een burger met pech is overgeleverd aan min of meer toevallige liefdadigheid.

Tijdens de bezetting begint de centralisatie. Voor de werklozen komen er arbeidsbureaus, centraal geleid vanuit Den Haag. Er komen allerhande verzekeringen tegen pech, armoede en ongeluk met gelijke rechten voor iedereen. Het zijn de jaren van Rooms-Rood: rooms wil graag een middenveld waarin sociale partners samenzweren, rood wil rechtsgelijkheid. Vlijtig bouwen ze samen aan wat de verzorgingsstaat gaat heten. Het begint met de AOW. Want oud was arm en versleten en in die tijd nog veel te vaak pensioenloos. Als Willem Drees in de jaren vijftig van de vorige eeuw het staatspensioen introduceert, stromen de bedankbriefjes binnen. Een enkeling stuurt zelfs het geld terug dat na spaarzaam uitgeven aan het eind van de maand overschiet. Kom daar nu nog maar eens om, zoveel aandoenlijke dankbaarheid.

In 1977 was de verzorgingsstaat af. De volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid (AAW) was het sluitstuk. Werd een huisvrouw invalide na een val van de trap bij het ramenlappen, dan kreeg ze tot haar 65ste een uitkering. En daarna AOW. De burger was volledig verzorgd. Zo mooi werd het nooit meer. Niet alleen omdat de opvattingen veranderen bij de overheid over wie die burger is en wat hij wil en hoe hij zou moeten zijn. Maar ook door iets heel plats: geld. Tijdens de opbouw van de verzorgingsstaat was er financiering zat, mede dankzij de ontdekking van de gasbel in Slochteren.

In 1977 was de verzorgingsstaat af. Zo mooi werd het nooit meer.
- Sheila Sitalsing

Zorgzame samenleving

Toen kwam de echte economische crisis in de jaren tachtig. Voor het eerst eigenlijk ging de politiek de burger erop attenderen dat ze zelf ook wel de handjes mag laten wapperen. Het was het CDA dat toen voor het eerst kwam met de term ‘de zorgzame samenleving’. Dat klinkt buitengewoon lief – en zo was het ook bedoeld. Er zat een helder ideologisch verhaal achter. Iedereen is maar verslaafd aan overheidshulp, dat heeft een morele crisis veroorzaakt, het hart was uit de samenleving geslagen. Het CDA stond een samenleving voor ogen waarin de overheid wat minder voor de mensen zorgt en de mensen wat meer voor elkaar. We moeten elkaar, om in CDA terminologie te blijven, ontmoeten. Vereenzaamde bejaarden, zieke buren: ga elkaar maar ns de hand reiken, ga helpen in het buurthuis, ga ns fietsen met een medelander – zo heette dat nog in die tijd. In die dagen was een aantal jonge honden op het Wetenschappelijk Instituut van het CDA deze visie aan het voorzien van een gedegen ideologische basis. Een van die jonge honden heette Jan Peter Balkenende, de man die in het eerste decennium van deze eeuw exact deze zelfde denkbeelden over Nederland zou uitrollen.

Dat zo’n zorgzame samenleving lekker bezuinigt, is mooi meegenomen. Maar het was niet het primaire doel. Elco Brinkman, toen nog jong en mooi, ging de boer op voor deze zorgzame samenleving. Toenmalig CDA-minister van Financien Onno Ruding dacht: kom ik ga daarbij helpen. Hij gaf een tamelijk geruchtmakend interview, we spreken de jaren tachtig, waarin hij de woorden sprak: werklozen blijven liever thuis rondhangen bij Tante Truus op de bank, dan dat ze eropuit trekken om werk te zoeken. Zo, dat heb ik helder gezegd, dacht Ruding, maar in de Kamer werd hij aan onderworpen aan een kruisverhoor. Of hij wel over concrete aanwijzingen beschikte, dat werklozen liever lui dan moe zijn? Links ging loeien. Over de jaren vijftig, en over de pastoor weer aan huis.

Maar toen het begin jaren negentig weer niet zo best ging met de overheidsfinancien, en half Nederland wel arbeidsongeschikt leek, was het Wim Kok van de Partij van de Arbeid, die begon te zagen aan de poten van de verzorgingsstaat, te beginnen bij de Wet op de Arbeidsongeschiktheid, de WAO.

Er kwam een nieuw mensbeeld, dat van de calculerende burger, die aan het shoppen was geslagen in de vitrinekast vol uitkeringen en voorzieningen.
- Sheila Sitalsing
Sheila Sitalsing spreekt de vierde E. du Perronlezing uit Sheila Sitalsing spreekt de vierde E. du Perronlezing uit Foto: William van der Voort

Er kwam een nieuw mensbeeld, of een nieuw burgerbeeld. Dat van de calculerende burger, die aan het shoppen was geslagen in de vitrinekast vol uitkeringen en voorzieningen. Die handjeklap deed met werkgevers om bij disfunctioneren, zo floeps, de WAO in te glijden. De kosten waren voor de samenleving. Dat was het nieuwe beeld, daar zijn de zaden gezaaid voor het wantrouwen van de overheid jegens de burger, dat we tot op de dag vandaag terugzien in die enorme regelbrij, dat we zagen bij de aanpak van meneer Rahal Lamlih over wie ik het eerder had. Als je systeem niet deugt, maakt de burger er genadeloos misbruik van – dat idee. En migranten? Breek me de bek niet open, qua oververtegenwoordiging – dat soort teksten.

Bij de PvdA daalde het besef in dat niets het draagvlak voor de verzorgingsstaat zo ondermijnt, als misbruik. En dat het van het grootste belang is dat de belastingbetalende middenklasse dat zonder morren blijft doen, om die verzorginsstaat te kunnen blijven financieren. En ja hoor, twintig jaar geleden noemde Wim Kok het P-woord al: we moeten naar een participatiesamenleving, zei hij.

Sheila Sitalsing voor een volle zaal Sheila Sitalsing voor een volle zaal Foto: William van der Voort

Klantdenken

Er kwam iets bij in die tweede helft van de jaren negentig. Gouden jaren, met geld dat tegen de plinten klotste en een nieuw geloof: marktwerking, privatisering, liberalisering. De burger werd ook klant. Over hoe dat klantdenken op zijn beurt ontaardde, zijn veel leuke boekjes geschreven. De overheid had met zijn marktwerkinglingo de verwachtingen hoog opgeklopt bij ons. We waren gepromoveerd tot klant, dus wij dachten dat je dus kunt kiezen uit verschillende smaken, zoals bij de Hema, en dat je kunt klagen als de kwaliteit tegenvalt en dat je je geld terug kunt vragen. Maar dat kan een overheid natuurlijk helemaal niet bieden; die heeft een algemeen belang te dienen, wat lang niet altijd strookt met het individuele klantenbelang. De teleurstelling zat ingebakken in die opgeklopte verwachtingen. Niet elke eisende burger kon even netjes onder woorden brengen dat hij dat best jammer vond. Dus ging die schelden, en overheidsdienaren molesteren, en stoelen door ruiten gooien bij Centra voor Werk en Inkomen.

De burger als getatoeerde tokkie met een grote bek en een kort lontje. De burger die er voetstoots van uitgaat dat de overheid er is om zijn problemen op te lossen, liefst door dure professionals. De ondankbare handophouder die te beroerd is om Nederlands te leren en ook anderszins te integreren. Dit was een nieuw beeld van de burger.

In dat klimaat rolde begin deze eeuw Jan Peter Balkenende die eerder genoemde visie over de zorgzame samenleving uit, met normen en waarden, burgers met verantwoordelijkheden jegens elkaar,terugbrengen van vrijheid en gemeenschapszin. Het was allemaal taal waarachter een tamelijk ingrijpende verbouwing van die hele sociale zekerheid schuil ging. Een verbouwing zonder weerga. En in dit klimaat bestond Guusje ter Horst, PvdA-minister in een van de kabinetten van Balkenende, het om een Handvest voor Verantwoordelijk Burgerschap voor te stellen. Want de burger moest zich weer leren gedragen. Ze ging er het land mee in: ging debatten voeren over verantwoord burgerschap.

Er kwam een folder vol aandoenlijkheden waaruit een beeld rijst van de burger die de overheid zich wenst, een mal waarin de overheid ons graag allemaal geperst zag: als mensen die een ander helpen, die vrijwilligerswerk doen, die aandacht schenken aan de ander. Die Nederlands spreken. Die zelf integreren en anderen helpen te integreren. En o wee als je je daaraan onttrekt. We moeten braaf zijn. Aardig, rustig en netjes. Dit initiatief is dood. Ik heb er althans weinig meer van vernomen en ik kan wel tien redenen verzinnen waarom, waarvan het gruwelijke paternalisme dat hiervan uitgaat misschien wel de belangrijkste is. De vrijheid om asociaal te zijn, en je te onttrekken aan de samenleving, en ja, je eigen taal te spreken, is ook wat waard.

De vrijheid om asociaal te zijn, en je te onttrekken aan de samenleving, en ja, je eigen taal te spreken, is ook wat waard.
- Sheila Sitalsing

Nu we zijn aanbeland bij een VVD-regering die het begrip participatiesamenleving heeft overgenomen van het CDA voor hem, van de PvdA voor hem, is dat toontje van we moeten lief zijn voor elkaar een beetje weg. Het is wat zakelijker allemaal. Maar de lijn is dezelfde – kabinetten in Nederland lijken, en dit is een constante door de jaren heen, veel meer op elkaar dan zij – of wij – zelf zouden willen toegeven. Buitenlandse kranten, in alle uithoeken van de wereld, berichtten afgelopen september na de Troonrede tamelijk opgewonden dat Nederland per decreet de verzorgingsstaat had afgeschaft, maar dat is natuurlijk niet waar. Het allerlaatste nog staande klassieke bastion, de AOW, was al een jaar daarvoor grondig verbouwd.

Dat beeld van de burger als onbeschofte, eisende Tokkie zit tamelijk diep. Maar die retoriek over de burger die zich afzijdig houdt, onbeleefd is, vanwege de verzorgingsstaat geen enkele eigen verantwoordelijkheid meer neemt, weigert de taal te leren maar wel exact weet hoe hij subsidie moet aanvragen, is tamelijk kwalijk. Het miskent dat het gros van de mensen gewoon voor zichzelf en voor elkaar zorgt, dat we talloos veel vrijwilligers kennen, volgens het Sociaal Cultureel Planbureau is het aantal vrijwilligers dat actief is in georganiseerd verband bijna 3 op de 10, het getal stijgt zelfs licht. Het miskent dat de verzorgingshuizen vol liefhebbende zoons en dochters zitten die hun moeders en vaders verzorgen op een manier die geen professional kan, en dat de arrangementen van de verzorgingsstaat toch echt alleen maar gebruikt worden door nogal kwetsbare mensen.

Ambtenarentaal

Terwijl als je leest wat gemeenten er allemaal aan taal uitslaan in nota’s en brochures omdat ze denken dat wij geactiveerd en opgevoed moeten worden, nou daar is dat Handvest van Guusje ter Horst niks bij. Enkele voorbeelden:

  • Als inwoner heb je niet alleen de verantwoordelijkheid om in je eigen onderhoud te voorzien, maar ook om voor je naasten te zorgen en je vrijwillig voor de samenleving in te zetten. Het staat er echt: de verantwoordelijkheid.
  • We gaan gezinnen weer aanspreken op hun verantwoordelijkheden. Het staat er echt: weer. Want die ontliepen ze namelijk. Massaal.
  • Burgers moeten weer voor hun ouders en kinderen gaan zorgen. Het staat er echt: moeten weer, alsof ze dat voorheen niet deden.
  • Buurtbewoners moeten de verantwoordelijk voor hun eigen leefomgeving weer op zich nemen. – Weer, he, want dat deden ze namelijk niet.

De overheid trekt zich dus terug, we moeten het zelf uitzoeken, maar ze gaat ons wel even vertellen wat het wenselijke gedragspatroon is.

Gelukkig hadden we de voormalige Ombudsman Brenninkmeijer, ik noemde hem al eerder en ik heb ik al gezegd dat ik fan ben van zijn interventies? – wiens mantra is: 98 procent van de burgers deugt. Ja, ook de Marokkaanse of de allochtoon of de neger of de etnisch uitgedaagde, of hoe ze mij ook allemaal noemen. En de overheid de burger maar overstelpen met geboden en boetes, terwijl ze zelf te beroerd is om binnen de wettelijke termijn te reageren op burgerbrieven en bezwaarschriften. Brenninkmeijer heeft de overheid zelfs hufterig genoemd, wegens ‘structurele arrogantie’ jegens burgers. 

98% van de burgers deugt.
- Ombudsman Brenninkmeijer

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de WRR, deed een tijdje geleden onderzoek naar de betrokkenheid van burgers. Hoofdonderzoeker Pieter Winsemius schrok, zo zei hij na de presentatie, van wat hij wederzjdese onverschilligheid noemde. Zijn rapport heette Vertrouwen in de burger, en het spreekt van een democratie die hapert en een overheid die een beetje hooghartig is. De overheid vertrouwt haar eigen burgers niet. En andersom.

We moeten elkaar wat meer vertrouwen. De overheid ons, wij elkaar. Beleidsmakers moeten meer openstaan voor burgers die zich inzetten voor de samenleving, zegt de WRR in dat rapport. Laat ze meer denken vanuit het perspectief van burgers en minder vanuit de bestuurlijke logica. Die bestuurlijke logica die onze weldoener Rahal Lamlih waar ik het eerder over had het werken zo moeilijk heeft gemaakt. Veel meer dan wordt gedacht, zijn burgers van alle kleuren bereid zich in te zetten voor de samenleving. De WRR trof een groot aantal vormen van burgerbetrokkenheid aan: van razendsnel georganiseerde ludieke acties tot nieuwe samenwerkingsvormen tussen burgers en professionals.

We hebben zelfs goeroes van de burgerkracht, van het zelf doen. Van de wijkteams en de buurtzorg en de zelfredzaamheid, wijkcoaches, participatiecrèches, sociale makelaars, buurtcollectieven. Kleinschalige, persoonlijke hulp. Dat burgerkracht is een industrie op zich aan het worden, met een adviesbureautjes en onderzoekers en publicisten en een leerstoel Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. Maar wat die participatiesamenleving precies is, dat is nog steeds oningevuld. Er worden taken naar de gemeenten gegooid: langdurige zorg, integratie van werklozen, jeugdzorg. Zoek het maar uit, met minder geld. Ga experimenteren. Interessant.

Wat die participatiesamenleving precies is, dat is nog steeds oningevuld.
- Sheila Sitalsing

Evelien Tonkens, bekleder van voornoemde leerstoel Actief Burgerschap, heeft over deze decentralisatie en de nauw daarmee verweven participatie, al eens gezegd: ‘Alleen in de sociale sector durft men zo onbezonnen te werk te gaan. Er zegt toch ook niemand: haal de vangrails langs de snelweg maar weg, dat kunnen mensen zelf regelen en anders hebben ze pech.’

De nieuwe rol van de burger

Dus wat wordt de nieuwe rol van de burger? Moeten we gezellige doe-het-zelvers worden, die het heft in eigen hand nemen en vol burgerkracht het samenleven nieuw elan inblazen? En als we daar nou helemaal geen zin in hebben? Wanneer de langdurige zorg, de Jeugdzorg, de participatiewet allemaal bij de gemeenten over de heg zijn gegooid, en wij niet willen meedoen, gaan de gemeenten ons dan met een knuppel burgerkracht bijbrengen? Hup, het buurthuis in jij, en anders pakken we je uitkering af? Naastenliefde als plicht. Het heeft iets naars.

Ik zou terughoudendheid willen bepleiten. Inderdaad, als mensen zelf dingen gaan organiseren, laat dat dan ook gaan, laat het los. Maar gun mensen ook de vrijheid om asociaal te zijn. Pieter Winsemius, die van het WWR rapport, advissert: ‘In plaatsen waar het goed loopt, zeggen wethouders: niet helpen. Als je gaat helpen, houdt de burger op met nadenken. Dan verdringt de overheid het initiatief.

Burgers betrekken, dat doe je door in te spelen op hun behoeften en kwaliteiten. Lokale partijen doen dat. Niet voor niets doen die het steeds beter bij de gemeenteraadsverkiezingen. Ze waren de grote winnaars van de verkeizingen vorige week – we hebben het zoveel over dat roepende café gehad, dat we dat bijna zijn vergeten: drie hoeraatjes voor de lokalen: met 30 procent by far de grootsten. Dat groot worden doen ze door zich dwars door de politieke partijen heen te organiseren door goed te luisteren naar de 4 K’s: kroeg, kantine, kapper en kerk. En dat te vertalen in praktische politiek.

De lokalen weten: laat de mensen vooral doen. Faciliteer de wijkagenten, welzijnswerkers, leraren, Buurtzorg, Opvoedpoli. Dat zijn netwerken die mensen verbinden. Leg niet geforceerd van alles op. Dan wordt de maatschappij een stuk leuker.

Maar er zijn ook de zwakkeren. Mensen die de boot gaan missen. De mensen die niet kunnen meedoen. De mensen die geen netwerk hebben om op terug te vallen. Mensen met een laag inkomen, met weinig opleiding, die werkloos zijn of arbeidsongeschikt, niet kunnen lezen, het allemaal iet zo goed begrijpen, zelf niet goed begrepen worden, fysieke beperkingen hebben. Het eerder gememoreerde Sociaal Cultureel Planbureau heeft dan ook tegelijk gewaarschuwd voor te groot beleidsoptimisme over wat je kunt oplossen met zelfredzaamheid.

Ik wil eindigen met een anekdote uit de praktijk. Ik ontleen hem aan de eerder geciteerde Pieter Winsemius van de WRR. In een interview met de Volkskrant sprak Winsemius over zijn ervaringen met inspraak, ook een vorm van burgerparticipatie, een typisch Nederlandse vorm misschien.Hij zei: ‘Vraag in een zaal met honderd man: wie heeft er wel eens aan inspraak gedaan? Dan gaan zo’n vijftig, zestig handen de lucht in. Vraag je daarna: wie vond het bevredigend, dan blijven er een paar handen over.’ Winsemius was ook een keer in de Bijlmer, allochtonenland zoals u weet – en daar bleef na het stellen van de wie-vond-het-bevredigend-vraag één hand over. Dat was de stadsdeelwethouder, die vond dat het toppie ging.

Ik dank u voor uw aandacht.

Sheila participeert na afloop van lezing en prijsuitreiking tijdens de borrel. Sheila participeert na afloop van lezing en prijsuitreiking tijdens de borrel. foto: William van der Voort

Contact

Sheila Sitalsing

Sheila Sitalsing

auteur & columnist de Volkskrant twitter.com

Reageren